Arabisch of iets anders? Joden en christenen in het moderne Midden-Oosten (1920-1950)

Afgelopen december heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek mij een subsidie toegekend om het onderstaande onderzoeksproject uit te gaan voeren. Ik zal dat gaan doen samen met dr. Karene Sanchez van het Leids Centrum voor Taalkunde (LUCL), een specialist op het gebied van de koloniale geschiedenis in het Midden-Oosten – zie de link hierboven. Binnenkort zullen advertenties verschijnen om twee promovendi aan het project toe te voegen, voor de twee case studies die Irak betreffen: de joodse gemeenschap in Bagdad en de Syrische christenen in Noord-Irak. Geinteresseerden wordt geadviseerd de vacaturesite van de Universiteit Leiden en de algemene site van Academic Transfer in de gaten te houden.

De komende maanden zal nieuws over dit project via dit weblog gepost worden, later dit jaar zal een eigen weblog worden aangemaakt.

Arabisch of iets anders? Joden en christenen in het moderne Midden-Oosten (1920-1950)  

De jaren na Eerste Wereldoorlog (1914-1918) waren cruciaal voor de vorming van de moderne Arabische staten in het Midden-Oosten. De voormalige Arabische provincies van het Osmaanse Rijk waren onder Brits en Frans mandaat gesteld in de veronderstelling dat deze koloniale machten de landen zou begeleiden naar onafhankelijkheid. Hoe die nieuwe staten eruit zouden komen te zien was echter onderwerp van felle discussies, met name over de inhoud en grenzen van het Arabisch nationalisme. In een nationalisme dat volgens vele betrokkenen vooral door de Arabische taal gedefinieerd was zouden niet-islamitische minderheden een belangrijke rol kunnen spelen, ja, daarmee zelfs hun minderheidspositie kunnen kwijtraken. Maar zowel binnen de kringen van de Arabische nationalisten (waaronder verschillende prominente christenen) als van de verschillende minderheden was deze prioritering van taal boven religie allerminst vanzelfsprekend. Dit leidde soms tot een impliciete gelijkstelling van ‘Arabisch’ met ‘islamitisch’, of, in pan-islamitische ideologieën, tot expliciete prioritering van religie boven taal. In beide gevallen werden daarmee joden en christenen opnieuw tot minderheid gemaakt, ondanks hun eventuele Arabischtaligheid. Maar ook de versie van Arabisch nationalisme die consequent vasthield aan de prioritering van taal was niet onproblematisch: daarmee werden niet alleen belangrijke islamitische groepen als de Koerden uitgesloten van staten als Syrië en Irak, maar ook religieuze minderheden die andere talen minstens zo hoog hielden als Arabisch, zoals de Armeense en Syrische christenen in Syrië en Irak en de groeiende Joodse gemeenschap in Palestina. Daarnaast waren er vele christenen die als gevolg van westerse educatie en verbondenheid met katholieke of protestantse kerken naast Arabisch, westerse talen als Frans en Engels als belangrijk deel van hun sociale en religieuze identiteit zagen.

Dit onderzoek zal deze tot nu toe nauwelijks onderzochte breuklijnen van het Arabisch nationalisme bestuderen aan de hand van drie minderheidsgroepen in de Britse Mandaatsgebieden: de Joden in Bagdad, de Syrische christenen in Noord-Irak en de katholieke christenen in Palestina. De grotendeels Arabischtalige joodse gemeenschap van Bagdad werd tussen 1920 en 1950 geconfronteerd met het groeiende belang van Hebreeuws enerzijds en de steeds moeizamere participatie in het Irakese Arabisch nationalisme anderzijds. De Syrische christenen in het noorden van Irak die naast Arabisch ook Syrisch spraken en schreven (meestal in een moderne variant), hadden te maken met een vergelijkbare spanning tussen Arabisch en Syrisch (‘Assyrisch’) nationalisme, die, meer dan in de joodse gemeenschap, langs denominationele lijnen binnen de gemeenschap uitgevochten werd. Hoewel bij deze twee groepen ook enige spanning tussen lokale oriëntaties en die op globale gemeenschappen (kerkelijk of politiek) zichtbaar werden, was deze bijzonder prominent bij de katholieke christenen in Palestina. Hun verwevenheid met katholieke opleidingsinstituten en de Roomskatholieke Kerk was zodanig dat hun participatie in het Arabisch nationalisme allerminst vanzelfsprekend was, ondanks het feit dat juist vele van de Arabisch-Palestijnse nationalisten op deze katholieke scholen hun vorming hadden ontvangen.

Uitgaande van een rijke hoeveelheid schriftelijke bronnen zoals archieven, kranten, boeken en pamfletten die uit deze periode bewaard zijn gebleven, zal dit onderzoek zich concentreren op zowel de praktijk van taalgebruik binnen deze gemeenschappen als op de ideologieën die ingezet werden om de eigen gemeenschappen te overtuigen van het belang van de ene of andere taal. In de tweede fase van het onderzoek zal vanuit de drie case studies een vergelijking worden gemaakt met gelijktijdige ontwikkelingen in de taalsituatie van andere religieuze minderheden waarnaar veelal al meer onderzoek is gedaan, zoals naar de Armeniërs in Syrië en de Maronieten in Libanon. Hierbij kunnen dan meteen ook eventuele verschillen tussen de Britse en Franse mandaatspolitiek met betrekking tot de religieuze minderheden aan de orde komen.

De belangrijkste inspiratiebron voor deze studie naar taal als cruciale locatie voor discussies over grenzen van religieuze en nationale gemeenschappen vormt het werk van Sheldon Pollock. Hij heeft in zijn studie van het Sanskrit laten zien dat keuzes in het domein van taal en in het domein van religie weliswaar nauw samenhangen, maar dat op veel meer verschillende en veel complexere manieren doen dan onderzoekers geneigd zijn aan te nemen. Soms helpt religie om een lokale gesproken taal tot belangrijkste geschreven en formele taal van een relatief kleine gemeenschap te maken, soms ondersteunt religie, na aanvankelijk verzet, de secularisering van wat begon als de heilige taal van een religie. Nog veel vaker lopen deze processen door elkaar heen, elkaar dan weer tegenwerkend dan weer versterkend. De religieus-talige situatie van het Midden-Oosten vormt bij uitstek een casus om de uitgangspunten van Pollock nader te testen. Hiermee zal deze studie ook bijdragen aan een beter begrip van wat modernisering in deze periode voor het Midden-Oosten betekende, onder meer omdat zowel de modernisering van zowel taal als religie vanuit in de lokale gemeenschappen werd geïnitieerd. Ten slotte zal deze studie naar taalgebruik en taalideologie bijdragen aan de ontmythologisering van schijnbaar heldere categorieën als ‘taal’, ‘ethniciteit’ en ‘religie,’ categorieën die in het Midden-Oosten en ook elders eenduidige groepsafbakeningen eerder bemoeilijken dan vergemakkelijken.

Voor een eerste korte publicatie over dit onderwerp, zie

Heleen Murre-van den Berg, "Het nieuwe Midden-Oosten: lappendeken of eenheidsworst? Historisch onderzoek naar de constructie van minderheden op basis van taal en religie," in Christel de Lange en Roos Mulder, Vijf continenten, vijf eeuwen: Vijf jaar geschiedbeoefening in het Kerkhistorisch Gezelschap S.S.S. (Leiden, 2011).

Be Sociable, Share!
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply