Elias Khoury en Marie Seurat

Al weer een paar jaar geleden las ik een bijzondere roman die in de Nederlandse pers zover ik weet geen aandacht heeft gekregen. Een mailwisseling met een collega en een levensverhaal dat ik deze week las, deden me teruggrijpen naar die roman van Khoury – en daar beide boeken nog steeds aandacht waard zijn, hierbij een licht aangepaste versie van een eerdere recensie.  

Bijzonder aan de roman Jalo is niet alleen het feit dat hij door Arabist Richard van Leeuwen direct in het Nederlands is vertaald (een eer die niet veel Arabische romans ten deel valt), maar vooral omdat Elias Khoury, de auteur, voor deze roman een Assyrische christen, Jalo, tot hoofdpersoon heeft gemaakt. De Assyriërs, een term die in dit boek gebruikt wordt voor zowel Syrisch-Orthodoxen als christenen van de Assyrische Kerk van het Oosten, komen oorspronkelijk vooral uit de regio die zich met de huidige grenzen over zuidoost Turkije, Noord-Irak en noordwest Iran uitstrekt. Vooral na de Eerste Wereldoorlog, waarin de Assyriërs net als de Armeniërs te lijden hadden onder massamoord en verdrijving uit de oorspronkelijke woongebieden, zijn Assyriërs elders in het Midden-Oosten terecht gekomen, vooral in Libanon en Syrië, maar voor een belangrijk deel ook daarbuiten, in de Verenigde Staten en Europa en natuurlijk Nederland. Khoury’s roman gaat over de kleinzoon van een overlevende van de gruwelen in Oost-Turkije die in de jaren dertig zijn heil in het christelijke Libanon heeft gezocht. Deze kleinzoon, bijnaam Jalo, is na de Libanese burgeroorlog in de gevangenis beland op beschuldingen van beroving en verkrachtingen. Lichamelijke en geestelijke martelmethoden dwingen hem z’n verhaal steeds opnieuw te vertellen, om daarmee aan de veronderstelde wensen van zijn ondervragers tegemoet te komen.

Enerzijds leidt dat tot leugens en verdichtingen, anderszijds tot groeiend inzicht in zijn eigen levensgeschiedenis, die door een cyclische herhaling steeds meer lagen krijgt. Zonder recht te kunnen doen aan de knappe manier waarop Khoury, een bekend Libanees auteur, waarvan onder andere La Porte du Soleil (Actes Sud 2002, in 2004 als film uitgebracht door Yousry Nasrallah) ook buiten Libanon de aandacht heeft getrokken, het rauwe levensverhaal van Jalo uitwerkt, zijn de belangrijkste elementen kort samen te vatten. Daniël Abel Abjad, bijgenaamd Jalo, wordt opgevoed door zijn moeder en haar vader. De laatste heeft hem als zijn eigen zoon aangegeven omdat zijn vader al voor de geboorte verdwenen was. Jalo leert fragmenten ‘Oud-Syrisch’ van zijn grootvader die priester is in de Syrisch-Orthodoxe kerk. Hij groeit op in een Assyrische wijk van Beiroet, gaat naar een Syrisch-Orthodoxe school, heeft Assyrische vrienden en dient in de oorlog in een Assyrisch regiment. De grootvader die priester is, citeert het Onze Vader en andere fragmenten uit de liturgie, vergelijkt hun gezin met de triniteit (grootvader als de Vader, Jalo als de Zoon, en moeder als de Heilige Geest), en onderhoudt vele merkwaardige gebruiken die aan die christelijke identiteit worden gekoppeld. Jalo’s leven na de oorlog speelt zich in de bredere, multireligieuze, Libanese samenleving af, maar ook dat brengt hem geen geluk. Uiteindelijk blijkt in Jalo’s reconstructie van zijn levensgeschiedenis ook de genocide in Tur Abdin een rol te spelen: veel van de problemen en vreemde gewoonten van de grootvader blijken terug te voeren op het feit dat hij als kind in de Eerste Wereldoorlog in het dorpje Ain Ward een massaslachting overleeft heeft, waarna hij een aantal jaren door de Koerdische mollah van het dorp is opgevoed voor hij zich weer van de Koerdische omgeving losmaakte om uiteindelijk in Beirut priester in de Syrisch-Orthodoxe kerk te worden.

Naast een roman over Libanon en de burgeroorlog, over wrede martelpraktijken, over schuld en boete, en over de moeizame verhouding met liefde en sexualiteit van de hoofdpersoon (allemaal elementen die aparte bespreking zouden verdienen), is het daarmee ook een roman geworden over Assyrische identiteit. Khoury, zelf van Grieks-Orthodoxe afkomst, beschrijft die identiteit vooral als een samengestelde identiteit, vol tegenstellingen, met Syrische, Arabische en Koerdische elementen, met christelijke en niet-christelijke elementen. Het is ook een identiteit van ontwortelden, van vluchtelingen, van onzekeren; van degenen die Libanon willen ontvluchten (Jalo doet een mislukte poging zich in Parijs te vestigen, een onbekende tante woont in Zweden, zijn onbekende vader is of schijnt in Aleppo of toch in het buitenland te zijn), maar die, zoals Jalo, toch weer terugkeren naar Libanon, omdat dat de enige plek is waar ze hun verhaal verder kunnen schrijven. Daarmee is Jalo door Khoury tot symbool gemaakt van de complexe Libanese identiteit: christelijk en moslim, vluchtend en terugkerend, angstig en toch met enige hoop. Jalo is geen roman waar je vrolijk van wordt, maar wel een die je weer grondig aan het denken zet over de problematiek van de christenen in het Midden-Oosten, van Assyriërs en Libanezen, van moslims en christenen. En ondanks de zware thematiek is het ook een roman met lichtpuntjes, met mooie formuleringen, herkenbare gewoontes en uitspraken: een rake karakteristiek van de complexe wereld van het Midden-Oosten van vandaag.

Veel van de thema’s van Khoury komen terug in een ouder boek waarin Marie Seurat haar levensverhaal vertelt, een verhaal dat gestructureerd wordt door de ontvoering van haar echtgenoot Michel Seurat tijdens de Libanese burgeroorlog. Langzamerhand wordt duidelijk dat hij waarschijnlijk vermoord is en gaat Seurat op zoek naar haar wortels om deze gebeurtenissen te verwerken. In de wat houterige schrijfstijl van Seurat (misschien het gevolg van de Nederlandse vertaling die ik het eerst te pakken kreeg) komen ook weer de thema’s terug van het heen en weer gaan tussen Libanon, Syrie en Europa, de gemengde afkomst waarover veel onzeker is, en de vraag hoe de relaties tussen moslims en christenen door deze burgeroorlog veranderen. Enigszins verassend blijkt dat ook zij Syrisch-Orthodoxe wortels heeft: van haar vaders kant is de familie Mamarbachi afkomstig uit Mardin, en veel van het zwijgen in de familie blijkt te maken hebben met onverwerkte trauma’s uit de Eerste Wereldoorlog, spanningen die ook terugkeren in de relatie tussen haar vader en moeder, en die worden versterkt door de plattelandsafkomst van haar vader tegenover de stedelijke bourgeoi van haar moeder, haar vaders makkelijke omgang met moslims en haar moeders angst voor alles wat met islam te maken heeft. In haar worsteling zich te verzoenen met haar moeder en de moeizame manier waarop zij met haar dochters omging, laat ze haar jongste dochter dopen in de Syrisch-Orthodoxe kerk van Damascus – waarbij de lokale bisschop haar helpt in de eerste stappen op weg naar verwerking van het verre en het nabije verleden. Wie weet kom ik in deze blog nog eens terug op Seurat, een korte speurtocht levert al een mooi lijstje titels op voor degenen die geinteresserd zijn in de gecompliceerd literaire verbeelding van christendom in het Midden-Oosten.

Elias Khoury, Jalo (Amsterdam, 2004, vertaald door Richard van Leeuwen, het Arabische origineel verscheen in Beiroet in 2002)

Marie Seurat, Gegijzeld in Beiroet / Les Corbeaux d’Alep (Parijs 1988).

Eerder verschenen in TF, blad van (nu) Instituut Godsdienstwetenschappen, Leiden (2005), en de Nieuwsbrief van de Interdisciplinaire Werkgroep voor de Studie van het Oosters Christendom (XII, 2004)

Be Sociable, Share!
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply